Geschiedenis

Zeeuws-Vlaanderen is ontstaan door inpolderingen vanuit het hoger gelegen vasteland in het zuiden, terwijl ook op zandplaten die verder zeewaarts lagen inpolderingen plaatsvonden. Men begon met het aanlegen van lage dijken of kaden, en aldus ontstonden zogenaamde "beginnen", groot genoeg voor een boerderijtje met  een of twee hectaren grond, die in de loop der jaren aaneengroeiden tot oudlandpolders, waarop ook dorpen werden gesticht. Een dergelijke activiteit was reeds gaande in het begin van de 11e eeuw.


Tussen de eilanden ‘het Oostburgerambacht’ en ‘Cadzand’ lag een vaarwater, het Strijdersgat’ genaamd. Door aanslibbing aan de zuidzijde van het eiland Cadzand ontstond een nieuw eiland, dat na indijking het Zuutsand werd genoemd. Tot ongeveer 1290 was het nog een eiland, waarna het door verdere bedijking verbonden werd met Cadzand.

Omstreeks 1580 werd geheel Zuutsand en een deel van Cadzand overstroomd.

Pas in 1617 werd dit gebied weer opnieuw bedijkt. Voor de overstroming was reeds een dorp ontstaan rondom een kapel gewijd aan de heilige Christoffel. Na de herindijking ontstond later weer het dorp Zuutsand, in de loop der tijden veranderd in Zuidzand.

In 1611 gaven de Staten-Generaal de Stad Oostburg toestemming een brug te bouwen tussen het eiland Cadzand en de Hans Vrieze schans, iets voorbij het nu nog bestaande buurtschap de Oostburgse brug oftewel de Bruggendijk. Deze brug werd afgebroken in 1656 waarna weer een veer werd ingesteld.

Met het indijken van de Cranepolder in 1799 werd dit veer overbodig en was het laatste water verdwenen. Daarmee was de huidige situatie in het landschap definitief geworden.

Zuidzande was en is nog steeds een agrarisch gemeenschap, hoewel reeds jaren voor de Tweede Wereldoorlog de kern praktisch huis aan huis bestond uit winkelpanden. Daarnaast beoefende het hoofd van het gezin veelal een ambacht.
De kern is beperkt van omvang. De historische structuur is vrijwel ongewijzigd gebleven en bepaalt nog steeds het ruimtelijk karakter van de kern. In het stratenpatroon komt heel duidelijk het kleinschalige karakter van de kern tot uitdrukking. Er is duidelijk sprake van een agrarisch dorp dat nooit een andere belangrijke functie heeft gekend. Het dorp kent over het algemeen een open bebouwingsstructuur. Uitzondering zijn het Dorpsplein en een gedeelte van de Dorpstraat. De (beperkt) aanwezige centrumfuncties zijn tevens in dit gebied gelegen. Het gaat hierbij om detailhandel, horeca, de kerk en een school. Centraal in het dorp staat de Nederlands Hervormde zaalkerk van vijf traveeën uit 1874.

Overigens is Zuidzande na de Tweede Wereldoorlog een aantrekkelijke woonplaats geworden. Reeds in de jaren 30 was de deftige Straatweg (nu Oostburgsestraat) met de welgestelde rentenierende boeren een begrip. Daarna hadden forensen alsmede degenen die als gepensioneerden weer terugkwamen belangstelling voor wonen in Zuidzande. Nu komen er vooral jonge mensen, met name uit Vlaanderen, die aangetrokken worden door de rust, de ruimte, de aanwezigheid van een moderne dorpsschool en het kindvriendelijke karakter van het dorp.